Verjaring blijft asbestslachtoffers parten spelen.

Het zal je maar gebeuren. Je krijgt als oud-timmerman in de bouw in 2013 krijg je te horen dat je lijdt aan de fatale asbestziekte mesothelioom. Je stelt je voormalige werkgever aansprakelijk voor de blootstelling aan asbest in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De werkgever schakelt zijn verzekeringsmaatschappij in. Die wijst de vordering af met een beroep op de dertigjarige verjaringstermijn, die in de wet staat. Je legt de zaak voor aan de rechter, maar krijgt nul op het rekest. Want volgens de rechter mag de werkgever zich op die verjaringstermijn beroepen en is daarmee de kous af.

Hoe is het mogelijk dat je op het moment dat je ziek wordt je recht op schadevergoeding al verjaard is en je recht niets meer voorstelt? Het voelt zeer oneerlijk aan, want voordat je ziek werd in 2013 kon je je oude werkgever niet aansprakelijk stellen omdat je nog niet ziek was. En op het moment dat je de slechte boodschap krijgt dat je asbestkanker hebt ben je volgens de wet en de rechter te laat. Dat is een loterij met alleen maar nieten. Dat is geen recht.

Blunder van de wetgever

Dit onrechtvaardige rechtssysteem hebben we te danken aan een blunder van de wetgever in 1992. In dat jaar draaide de wetgever als het ware het rechtssysteem bij de verjaring om. Vóór 1992 was het zo, dat de wettelijke verjaringstermijn begon te lopen op het moment dat je ziek werd. Dat wil zeggen het moment waarop de ziekte en daarmee de schade zich manifesteerde. 
Vanaf dat ogenblik kon het slachtoffer van een beroepsziekte, zoals van mesothelioom, zijn werkgever aansprakelijk stellen en vergoeding van zijn schade eisen. In het juridische vak werd het daarom de manifestatieleer genoemd.
De gewraakte wetswijziging van 1992 veranderde dat volledig. Vanaf dat jaar werd ervan uitgegaan dat het beginpunt van de verjaring niet meer lag bij het optreden van de ziekte, maar bij het laatste moment van de blootstelling aan asbest. Dat betekende bijvoorbeeld dat voor een werknemer, die tot 1980 aan asbest was blootgesteld, de verjaringstermijn van 30 jaar begon te lopen in 1980. Als die werknemer als gevolg van de blootstelling van vóór 1980 in 2013 ziek wordt, heeft hij gewoon pech. Want er is dan meer dan 30 jaar verstreken tussen 1980 en 2013. En zijn werkgever hoeft geen schadevergoeding te betalen vanwege de verjaring van de vordering.
Als snel na de wetswijziging werd het duidelijk dat de nieuwe wetsbepaling inzake de verjaring onrechtvaardig en onredelijk was. Van vele kanten kreeg de regering het advies en het verzoek om dit onrecht te corrigeren. Maar de regering legde zijn oor te luisteren bij de werkgeversorganisaties en hun verzekeraars. Die hadden geen enkele behoefte om de wets-wijziging uit 1992, die voor hen voordelig uitpakte, weer terug te draaien. Wel werden er een paar kleine, ondergeschikte aanpassingen doorgevoerd, maar het onrecht van de verjaring, dat natuurlijk vooral speelt bij de asbestziekte mesothelioom, bleef onveranderd. Met als gevolg dat naar schatting de helft van alle mesothelioomslachtoffers per jaar - in 2013 waren dat er in totaal ongeveer 500 – met dit onrecht geconfronteerd worden en geen schadevergoeding krijgen.
 
Inzet van Comité Asbestslachtoffers
Het Comité Asbestslachtoffers heeft vanaf haar oprichting in 1995 op veel fronten tegen het onrecht van de verjaring gestreden. Dat hebben we gedaan bij het parlement, bij de regering en bij de werkgevers en verzekeraars. En ook in de rechtszaal hebben altijd de  slachtoffers gesteund in hun gevecht tegen de verjaring. Bij de regering, het parlement en de werkgevers hebben we tot nu toe weinig of niets bereikt. In de rechtszaal hebben we wel met veel moeite, kosten en geduld enkele kleine successen geboekt. Zo heeft de Hoge Raad in 2000 bepaald dat onder bepaalde, ingewikkelde omstandigheden de verjaringsregel opzij gezet kan worden, maar die uitzondering is beperkt en betekent nog steeds dat veel asbestslachtoffers lange, dure en riskante rechtszaken moeten voeren.
 
Nieuwe ontwikkelingen
In de afgelopen tijd zijn er twee ontwikkelingen in de wet en de rechtspraak geweest, die de positie van de asbestslachtoffers tot op zekere hoogte versterken. De eerste betreft een wets-wijziging die bedoeld is om de mogelijkheid voor slachtoffers te verbeteren om zich in een strafzaak te voegen met hun vordering tot schadevergoeding. In dat verband is de wettelijke verjaringsbepaling uit het burgerlijk recht gekoppeld aan het strafrecht. Omdat het strafrecht - anders dan het burgerlijk recht - wel de zogenaamde manifestatieleer hanteert, zijn de mogelijkheden voor asbestslachtoffers om de verjaring uit het burgerlijk wetboek te omzeilen uitgebreid. In verschillende lopende rechtszaken hebben slachtoffers al een beroep op deze nieuwe bepaling gedaan. Het is op dit moment nog te vroeg om te kunnen zeggen of hier de oplossing ligt voor het onrecht van de verjaring.
De tweede nieuwe ontwikkeling komt uit het Europese recht. Het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) heeft op 11 maart jl. in de zaak van (de erven van) H. Moor tegen Zwitserland een belangrijke uitspraak gedaan over de verjaringswetgeving. De zaak van Moor was bij het Europese Hof aanhangig gemaakt door David Husmann, advocaat in Zürich en verbonden aan de Zwitserse vereniging voor asbestslachtoffers. Moor was tussen 1965 en 1978 bij zijn fabriekswerk aan asbest blootgesteld. In 2004 werd hij getroffen door meso-thelioom, een jaar later overleed hij. De werkgever van Moor wees de vordering af met een beroep op de verjaring.
 
De Zwitserse wetgeving op het gebied van de verjaring gaat net als de Nederlandse wetgeving ervan uit dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de laatste dag van blootsteling aan asbest. Daarbij moet bedacht worden dat de Zwitserse termijn nog veel beperkter is dan de Nederlandse. In Zwitserland geldt nl. een 10-jarige verjaringstermijn. 
Het EHRM stelde in zijn uitspraak van 11 maart jl. vast dat de toepassing het Zwitserse verjaringsrecht betekende dat een asbestslachtoffer in feite nooit de kans kreeg om zijn vordering aan de rechter voor te leggen. Dat gevolg was volgens het Hof onredelijk en in strijd met art. 6 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens. Het verjaringsverweer werd zodoende verworpen en de vordering van de erven Moor werd toegekend.
 
Het Comité Asbestslachtoffers is blij met deze uitspraak van het Europese Hof, die direct doorwerkt in het Nederlandse recht. Bob Ruers, advocaat van veel asbestslachtoffers en juridisch adviseur van het Comité Asbestslachtoffers merkt hierover op: “ Natuurlijk gaan wij  in onze rechtszaken een beroep doen op deze belangrijke uitspraak van het Europese Hof. We zijn zeer benieuwd of de Nederlandse rechter zich naar de uitspraak van het Europese Hof zal richten”.
 
Kamervragen
Op 24 maart jl. heeft SP-Tweede Kamerlid Jan de Wit over de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Moor/Zwitserland schriftelijke vragen gesteld aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie. De Wit vroeg de minister of de regering gezien de uitspraak van het Hof bereid was de Nederlandse wet aan te passen.
Op 1 mei, de Dag van de Arbeid, antwoordde minister Opstelten dat hij een wetswijziging ongewenst en onnodig vond.